
Russische veteranen lachen als ze horen dat Nederland in
Uruzgan de bevolking helpt. ‘Dat is staatspropaganda, net als toen wij naar
Afghanistan moesten.’ Deze week viert Rusland dat twintig jaar geleden hun
desastreuze Afghanistan-oorlog eindigde.
DOOR JORRIT KAMMINGA
SINT-PETERSBURG – ‘Híer ligt Nederland en híer ligt Afghanistan’, zegt
Afghanistan-veteraan Pavel. Hij wijst de landen theatraal aan op een grote
wereldkaart: ‘Wat doen jullie daar in godsnaam, zo ver weg van jullie land?’
Dat de Sovjet-Unie het nodig vond in Afghanistan te vechten was tenminste nog
enigszins logisch, want het is een buurland, vindt hij. Mijn antwoord over het
lot van de Afghaanse bevolking, 11 september, al-Qaeda en eventuele aanslagen
in Nederland of Rusland wordt door Pavel en zijn medeveteranen vrolijk
weggewuifd en ze vullen de glazen wodka weer bij. Er wordt geproost op de
kameraden die er niet meer bij kunnen zijn.
Afgantsi worden de Russische Afghanistan-veteranen genoemd. Ik ben op bezoek
bij veteranen in Sint-Petersburg en Kronstadt om hun ervaringen vast te leggen
in een documentaire. Op 15 februari viert Rusland dat twintig jaar geleden de
laatste sovjeteenheden de Amu Darja-rivier over trokken en Afghanistan achter
zich lieten. Negen jaar machtsvertoon strandde in een roemloze aftocht.
We zijn uitgenodigd door verschillende veteranenorganisaties en bij veteranen
thuis. Overal staat taart op tafel en worden we getrakteerd op wodka,
Russische hapjes en muziek. Het lijken wel verjaardagsfeestjes, maar dan
alleen voor mannen in camouflagepakken met opgespelde onderscheidingen. De
enige Russen die ik tot nu toe vaak sprak ontmoette ik in Afghanistan. Het
waren monteurs die in het Intercontinental Hotel in Kaboel verbleven om
Russische machines te onderhouden. Zij hielden letterlijk het enige in stand
wat nog over is van de Russische Afghanistan-missie. Mijn Afghaanse collega’s
– vooral voormalige moedjahedien uit de Pansjir-vallei – vertellen me vaak
over de Russen. De Russische veteranen zijn trots als ze horen dat deze
voormalige dukhs (moedjahedien) positief verhalen over de sterke en dappere
Russen.
‘Waar zitten de Nederlanders eigenlijk precies?’ vragen de veteranen. Ze weten
de provincie Uruzgan en hoofdstad Tarin Kowt moeiteloos te vinden op een oude
kaart met Cyrillisch schrift, maar ze hadden er indertijd geen troepen. Het
gebied had voor hen weinig militair-strategisch belang en bezat geen
belangrijke grondstoffen. Het kost me moeite uit te leggen dat Nederland
voornamelijk in Uruzgan zit vanwege de Afghaanse bevolking. Dat wordt door de
Afgantsi beschouwd als ‘staatspropaganda’, net als toen zij naar Afghanistan
gestuurd werden. ‘Ons werd gezegd dat wij Afghanistan uit het feodale tijdperk
zouden trekken’, vertelt Joeri. ‘We gingen er een welvarend socialistisch land
van maken.’ Op het contract dat hij ondertekende stond: ‘Ik ben door eer
gebonden om het bevriende Afghaanse volk te helpen de vooruitgang van de [pro-communistische]
April-revolutie te beschermen.’ ‘Betekende dat vooral opbouwen of vechten?’
vraag ik. Het hield in dat ‘bandieten’ bestreden moesten worden, zoals de
niet-communistische, islamistische vijand eufemistisch te boek stond,
antwoorden de veteranen.
HOE IS HET mogelijk dat een redelijk getraind en goed bewapend leger van ruim
honderdduizend Russen niet in staat was om deze ongeorganiseerde bandieten uit
te schakelen? Die vraag spookt de veteranen nog steeds door het hoofd en ze
vinden dat hij nu ook weer actueel is in de strijd van ‘de Navo tegen de
Taliban’. ‘Is er dan niets veranderd?’ vraag ik. ‘Het gaat opnieuw om een
ideologisch conflict’, zegt Anatoli. ‘Wij vochten daar onder communistische
vlag en jullie onder een democratische vlag.’ De veteranen denken niet dat
Nederland met zijn Uruzgan-missie wél iets zal bereiken.
We praten door over het kunstmatige verschil tussen opbouw- en vechtmissie. De
Russen dachten aanvankelijk net als de Nederlanders dat zij niet veel zouden
vechten. De Afghaanse regeringstroepen zouden de kastanjes wel uit het vuur
halen. Nikolai zegt: ‘Wij zouden de Afghanen opleiden zodat zij onze zuidgrens
konden beschermen.’ Na de invasie in 1979 was de missie dan ook vooral gericht
op het opbouwen van het Afghaanse leger, net als nu bij de Amerikanen en de
Navo. Maar de Russen leverden er een complete luchtmacht bij. Afghaanse
piloten vlogen in Russische MIG’s en helikopters. ‘Vliegen er nu Afghaanse
piloten in Nederlandse vliegtuigen?’ vraagt Pavel retorisch.
Daarnaast werden tientallen scholen, ziekenhuizen en woonblokken gebouwd.
‘Veel van wat de Navo nu weer opbouwt is van Russische makelij, al geven de
Amerikanen dat niet graag toe’, zegt Joeri. Zelfs in 1991 landden er in Kaboel
dagelijks nog tientallen Russische transportvliegtuigen met voedsel en
brandstof. Het ging bij de Russen echter niet om hearts and minds. Bij
luchtaanvallen en artillerievuur werden burgers niet gespaard. Het ging eerder
om het terroriseren van de Afghaanse bevolking, ondanks de mooie persfoto’s
van Russische soldaten met Afghaanse kinderen op de arm. Vele verhalen van de
Russische veteranen doen vooral aan één andere oorlog denken: Vietnam. ‘Ik wil
liever niet op scholen praatjes houden, want dan moet ik de waarheid
vertellen’, zegt Dmitri.
De Russen zagen de opbouw van het Afghaanse regeringsleger net als de
Amerikanen en de Navo als hun exit-strategie, en zij faalden. Zij hadden
destijds dezelfde problemen die ook nu de kop opsteken: corruptie, desertie en
een laag moreel. Tegelijkertijd nam het verzet tegen de Russische aanwezigheid
toe, vooral toen de tientallen moedjahediengroepen zich begin jaren tachtig
aaneensloten en geleidelijk doorslaggevende buitenlandse steun ontvingen. Hoe
zit het volgens hen nu dan met de Taliban die tot 2005 niet of nauwelijks
serieuze tegenstand boden? ‘De Taliban zijn het begin van het einde voor de
Navo’, zegt Nikolai. ‘Het Afghaanse leger is nu zelfs niet in staat om samen
met de Navo van ze te winnen.’ Er valt weinig tegen in te brengen.
‘Weten de mensen in Nederland wel hoe slecht de situatie nu is?’ vraagt
Nikolai. In de Sovjet-Unie werd de ernst van de situatie langer verzwegen dan
in Nederland. In 1980 stelde het Politbureau in het geheim richtlijnen vast
voor de berichtgeving. Om de oorlog zo kleinschalig en onbelangrijk mogelijk
te doen lijken, mochten alleen soldaten van lage rang vermeld worden en mocht
er nooit over de inzet van meer dan één Russisch peloton tegelijkertijd
gesproken worden. ‘Het ging om schermutselingen met de bandieten en verder
geen gezeur’, vertelt Pavel.
TOT
1985 BENADRUKTEN de Russische media vooral dat de sovjetsoldaten in
Afghanistan scholen en ziekenhuizen bouwden en bomen plantten. Dat doet denken
aan de optimistische opbouwverhalen die voorafgaand aan de Nederlandse missie
in Den Haag en in de pers rondgingen. ‘Wederopbouw in EU-verband’ en
‘bestuurlijke opbouw en veiligheid’ klonk het toen zo mooi. Nu is het motto:
‘Vechten als het moet, opbouwen als het kan’. De veteranen vinden het een
onpraktische nuance. ‘Wat willen jullie daar nou precies?’ is de vraag die
vaak gesteld wordt. ‘Wij deden wel aan opbouw, maar eigenlijk waren we de hele
dag bezig met hoe we zelf konden overleven’, zegt Nikolai.
Ze begrijpen goed dat niet alleen de Nederlandse bevolking maar juist ook de
Nederlandse soldaten op een gegeven moment eerlijke berichtgeving eisten. Tot
1987 was er in Rusland niet veel bekend over de wreedheden van de oorlog. Dat
was een slag in het gezicht van de soldaten, die hun heldendaden en opoffering
niet beloond én niet erkend zagen. Joeri zegt: ‘Als ik op verlof terug in de
Sovjet-Unie was, las ik liever geen kranten, want de werkelijkheid was totaal
anders.’ Zelfs tijdens de glasnost-politiek werd niet de waarheid verteld.
Volgens de officiële uitleg tijdens de laatste jaren van het conflict werd de
oorlog in stand gehouden door westerse steun aan de rebellen. Het nieuwe
sovjetleiderschap zei dat het er alles aan deed om dit op te lossen. Ook nu
wordt steun vanuit Iran, Pakistan en elders genoemd als oorzaak van de
continuïteit en de intensivering van de oorlog.
Ondanks duidelijke verschillen met de Nederlandse Uruzgan-missie vertoont de
desastreuze Russische ervaring enkele onrustbarende overeenkomsten. De burgers
in de Sovjet-Unie begrepen niet hoe het werk van hun zonen en dochters zou
kunnen bijdragen aan de glorie van het moederland. Weten de Nederlanders dit
inmiddels wel? De veteranen in Sint-Petersburg en Kronstadt weten nog steeds
niet waarom ze eigenlijk in het ‘land van wonderen’, zoals ze Afghanistan
weemoedig noemen, moesten vechten. Velen kwamen bovendien terug in een
Sovjet-Unie die door de hervormingspolitiek van Gorbatsjov al niet meer
dezelfde was en waar steeds minder plaats was voor militarisme en respect voor
oorlogsveteranen.
Hoe zal het onze Uruzgan-veteranen vergaan in 2030? Zullen zij het respect
krijgen dat hun toekomt? Of zullen zij dan net als de Russen het slachtoffer
zijn geworden van een politieke vergissing, een oorlog die in ‘the bigger
scheme of things’ vrijwel niets heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van
Afghanistan en de internationale veiligheid? De Russische veteranen denken het
laatste. Zij verklaren ons voor gek als we na 2010 in Uruzgan blijven.
------------------------------------------------------------------------------------------
DE RUSSISCH-AFGHAANSE OORLOG duurde van 1979 tot 1989. Ruim vijftienduizend
sovjetsoldaten sneuvelden. Het aantal Afghaanse doden wordt doorgaans geschat
op één tot anderhalf miljoen. Persbureau Associated Press, dat regelmatig
gefundeerde schattingen maakt van aantallen oorlogsslachtoffers, houdt het op
twee miljoen.
De militaire invasie en talloze sovjet-ontwikkelingsprojecten hebben niets
opgeleverd. Dat is een bittere pil voor een half miljoen Russische veteranen.
De staat liet hen bovendien aan hun lot over. ‘Daarom gingen we onszelf maar
organiseren’, zegt veteraan Nikolai. ‘Dat wil zeggen, diegenen die dat konden.
Velen bezweken aan drank en drugs.’ Er ontstond een netwerk van verenigingen.
Er zijn honderden clubs waar de Afgantsi in uniform samenkomen om te sporten,
liederen te zingen en het glas te heffen op een oorlog die al twintig jaar
voorbij is. Hun bezigheden zijn niet altijd even onschuldig. Een veteraan in
Kronstadt stichtte een ‘opvoedingscentrum’ waar de jeugd aan vechtsporten doet
en wapentraining krijgt. Videofilms tonen een combinatie van onschuldige
padvinderij en een soort commandotraining voor jongeren.
Jorrit Kamminga werkte als onderzoeker de afgelopen drie jaar in de Afghaanse
provincies Helmand, Kaboel en Kandahar. Hij werkt momenteel samen met Johan
Zielstra van Chronoscoop aan een documentaire over de menselijke kant van de
Russische oorlog in Afghanistan (www.chronoscoop.nl)
© JORRIT KAMMINGA / De Groene Amsterdammer